Wtza: meldplicht, vergunning en wat het betekent voor een kleine zorgaanbieder
Wie een gezinshuis, een kleine jeugdhulporganisatie of een zorgboerderij start, komt de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) als eerste tegen: melden voordat je mag beginnen. Maar de wet bestaat uit drie onderdelen met elk een ander bereik, en juist dat wordt zelden goed uitgelegd. Deze gids zet per onderdeel op een rij wie eronder valt, wat je concreet moet doen en wat er sinds 2025 en 2026 is veranderd.
Drie onderdelen, drie verschillende doelgroepen
De Wtza geldt sinds 1 januari 2022 en moet ervoor zorgen dat nieuwe zorgaanbieders bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in beeld zijn voordat ze beginnen. De wet hangt aan de Wkkgz: hij geldt voor iedereen die zorg gaat leveren zoals de Wkkgz die omschrijft, dus Zvw-zorg, Wlz-zorg en andere vormen van gezondheidszorg. Voor jeugdhulp is de meldplicht in de Jeugdwet geregeld en loopt hij via hetzelfde portaal. Ondersteuning die alleen onder de Wmo 2015 valt, is geen Wkkgz-zorg: een aanbieder die uitsluitend Wmo-ondersteuning levert, hoeft zich niet te melden en heeft geen vergunning nodig. Daar stelt de gemeente via het contract de eisen.
Alle nieuwe zorgaanbieders die zorg onder de Wkkgz gaan leveren en alle nieuwe jeugdhulpaanbieders melden zich vóór de start via toetredingzorgaanbieders.nl. Dat geldt ook voor solisten, zzp'ers en onderaannemers. Alleen wie uitsluitend Wmo-ondersteuning levert, valt buiten de meldplicht.
Instellingen die zorg leveren zoals omschreven in de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg hebben een toelatingsvergunning nodig, sinds 1 januari 2025 ongeacht het aantal zorgverleners. Jeugdhulp en Wmo vallen erbuiten, net als solistisch werkende zzp'ers en onderaannemers.
Vergunningplichtige instellingen moeten een onafhankelijke interne toezichthouder hebben, maar kleine instellingen zijn daarvan uitgezonderd. De drempel ligt op meer dan 10 zorgverleners bij verblijf, persoonlijke verzorging, begeleiding, verpleging of medisch specialistische zorg. Voor jeugdhulp regelt niet de Wtza maar de Jeugdwet het interne toezicht.
Melden doe je vóór de start, en het is zo gebeurd
De hoofdregel is simpel: je mag niet beginnen met zorg of jeugdhulp verlenen voordat je je hebt gemeld. Het melden zelf is een online vragenlijst op toetredingzorgaanbieders.nl, in te vullen in de drie maanden voor je start, bij voorkeur met eHerkenning. De vragen gaan over je organisatie, de soort zorg en hoe je de kwaliteit regelt; na het versturen download je direct een bewijs van melding. Er zit geen beoordeling of goedkeuring aan vast en het kost niets.
De meldplicht is bewust breed. Ook solisten en zzp'ers melden zich, en ook onderaannemers: de wet merkt voor de meldplicht ook de aanbieder aan die een deel van de zorg van een andere instelling levert. Werk je dus als gezinshuis of zorgboerderij onder een hoofdaannemer, dan meld je je zelf. Je meldt je bovendien opnieuw als je KvK-nummer wijzigt of als je van onderaannemer (deels) hoofdaannemer wordt, of andersom.
Na de melding gaan je gegevens naar de IGJ. Die werkt risicogericht: nieuwe zorg- en jeugdhulpaanbieders zijn een vast thema in haar toezicht, en inspecteurs kunnen contact opnemen via een telefoongesprek of een toezichtbezoek, aan de hand van een gepubliceerd toetsingskader. De melding is dus geen administratieve formaliteit die daarna in een la verdwijnt: het is het moment waarop je zichtbaar wordt voor de toezichthouder, inclusief de verwachting dat je kwaliteitseisen zoals die uit de Wkkgz of de Jeugdwet op orde zijn.
Sinds 2025 geen drempel van tien zorgverleners meer
Tot en met 2024 hadden alleen instellingen met medisch specialistische zorg of met meer dan tien zorgverleners in de Zvw of Wlz een toelatingsvergunning nodig. Per 1 januari 2025 is die drempel vervallen: de vergunningplicht geldt nu voor alle instellingen die Zvw- of Wlz-zorg leveren, ook met een handvol zorgverleners. Instellingen die vóór die datum al zorg leverden en door de wijziging vergunningplichtig werden, kregen een vergunning van rechtswege: automatisch, zonder aanvraag of besluit. Controleer wel in het zorgaanbiedersportaal of die vergunning er inderdaad staat.
Drie groepen blijven buiten de vergunningplicht: solistisch werkende zzp'ers (maar een bv is voor de wet een instelling, ook als je feitelijk alleen werkt), onderaannemers, en iedereen die uitsluitend jeugdhulp of Wmo-ondersteuning levert. Een gezinshuis dat alleen jeugdhulp biedt, heeft dus geen Wtza-vergunning nodig; een zorgboerderij met een eigen Wlz-contract wel.
Moet je als nieuwe aanbieder wel een vergunning hebben, dan vraag je die aan bij het CIBG via toetredingzorgaanbieders.nl. De kosten voor het in behandeling nemen zijn 725 euro en de beslistermijn is in beginsel 8 weken. Bij de aanvraag wordt onder meer gekeken naar je bestuursstructuur en de voorwaarden voor goede zorg uit de Wkkgz.
Twee sporen: de Wtza voor zorg, de Jeugdwet voor jeugdhulp
Hier gaat het in de praktijk het vaakst mis, dus houd de twee sporen uit elkaar. Het Wtza-spoor geldt voor Zvw- en Wlz-zorg: vergunningplichtige instellingen moeten een onafhankelijke interne toezichthouder hebben, maar kleine instellingen zijn uitgezonderd. De drempel ligt op meer dan 10 zorgverleners voor instellingen waar cliënten ten minste een etmaal verblijven of die medisch specialistische zorg, persoonlijke verzorging, begeleiding of verpleging leveren. Voor eerstelijns- en kleinschalige zorg zonder die zorgvormen is de grens per 1 juli 2025 verhoogd van meer dan 25 naar meer dan 50 zorgverleners. De sectorkoepel van de zorglandbouw vroeg om die verhoging ook voor begeleiding te laten gelden, maar het kabinet heeft dat in februari 2026 afgewezen: bij begeleiding blijft de drempel op meer dan 10 zorgverleners staan.
Het Jeugdwet-spoor staat daar los van. De Wtza-eis geldt niet voor jeugdhulpaanbieders; sinds 1 januari 2026 kent de Jeugdwet via de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg een eigen plicht. Die raakt jeugdhulpaanbieders met 11 of meer jeugdhulpverleners die jeugdhulp met verblijf leveren, aanbieders met 26 of meer jeugdhulpverleners bij ambulante jeugdhulp, en gecertificeerde instellingen. De IGJ trad in de eerste helft van 2026 stimulerend op; sinds 1 juli 2026 kan en zal ze handhaven, tot een last onder dwangsom aan toe. Wat die wet verder regelt staat in de Wvbj-gids, en hoe je toezicht licht en zinnig inricht in de gids over de raad van toezicht.
De melding is het begin, niet het einde
Met de melding en eventueel de vergunning ben je toegetreden, maar daarmee begint pas de jaarlijkse cyclus. Vrijwel elke gemelde aanbieder is ook verantwoordingsplichtig: elk jaar vóór 1 juni lever je de openbare jaarverantwoording aan via DigiMV. Wie daaronder valt en wat het micro-regime inhoudt, staat in de gids over de jaarverantwoording voor kleine aanbieders; voor jeugdhulp geldt vanaf boekjaar 2026 het nieuwe regime uit de gids over de openbare jaarverantwoording Jeugdwet. En omdat de IGJ je na de melding kent, is de vraag niet óf iemand ooit naar je kwaliteitssysteem vraagt, maar wanneer.
Per doelgroep: gezinshuis, jeugdhulp en zorgboerderij
Een gezinshuis levert jeugdhulp en valt dus onder de meldplicht: melden vóór de eerste plaatsing, ook als je als onderaannemer onder een hoofdaannemer werkt. Een Wtza-vergunning heb je niet nodig, want jeugdhulp is niet vergunningplichtig. Let op als je daarnaast Wlz-zorg levert, bijvoorbeeld aan een jeugdige met een Wlz-indicatie: voor die tak geldt de vergunningplicht wel, tenzij je die zorg als onderaannemer levert. Het interne toezicht loopt voor jou via de Jeugdwet, en daar zit een typisch gezinshuis met de drempel van 11 of meer jeugdhulpverleners ruim onder.
Ook voor jou is de meldplicht de kern: melden vóór de start, en opnieuw melden als je KvK-nummer wijzigt of je van onderaannemer hoofdaannemer wordt. Na de melding kent de IGJ je en kan ze langskomen; nieuwe aanbieders zijn een vast thema in haar toezicht. De vergunningplicht raakt je alleen als je naast jeugdhulp ook Zvw- of Wlz-zorg levert. Tel wel je jeugdhulpverleners: bied je verblijf met 11 of meer jeugdhulpverleners, dan ben je sinds 1 januari 2026 verplicht een interne toezichthouder te hebben, en na 1 juli 2026 handhaaft de IGJ daarop.
Voor een zorgboerderij hangt alles af van de wet waaronder je deelnemers vallen. Alleen Wmo-dagbesteding: geen meldplicht en geen vergunning, je gemeente stelt de eisen. Deelnemers via de Wlz of Zvw: meldplicht, en als eigen instelling ook de vergunningplicht; werk je in onderaanneming via een regionale organisatie, dan meld je je wel maar vraag je geen vergunning aan. Jeugd op het erf: meldplicht via de Jeugdwet plus de jeugdverplichtingen die daarbij horen. De interne toezichthouder komt pas in beeld bij meer dan 10 zorgverleners, en die drempel geldt ook voor begeleiding.
Wat alle drie gemeen hebben: de Wtza toetst niet je zorg, maar maakt je zichtbaar voor de toezichthouder die dat wél doet. De registraties waar de IGJ en je gemeente daarna naar vragen (incidenten, VOG's, evaluaties, klachten) houd je in ISO Assist voor jeugdhulp of ISO Assist voor zorgboerderijen doorlopend bij, zodat toetreden geen losse papierklus wordt maar het startpunt van een werkend systeem. Wie nog vóór de start zit, vindt het volledige stappenplan in de gids zorgboerderij starten of gezinshuis starten.
Conclusie
De Wtza is voor een kleine zorgaanbieder vooral één harde regel: meld je vóór je begint, ook als solist of onderaannemer, en alleen puur-Wmo-aanbieders blijven erbuiten. De vergunningplicht geldt sinds 2025 voor alle Zvw- en Wlz-instellingen, maar niet voor jeugdhulp, en bestaande aanbieders kregen hem van rechtswege. Een interne toezichthouder is pas bij meer dan 10 zorgverleners aan de orde, waarbij jeugdhulp zijn eigen spoor via de Jeugdwet volgt. Behandel de melding niet als eindpunt maar als startschot: vanaf dat moment ben je in beeld bij de IGJ, en telt wat je kunt laten zien.